Het einde van betaald parkeren?

11 Nov 2014

Door Erwin van Hout (Spark)

Een parkeertarief (op straat) is een belasting
Het heffen van een parkeertarief (parkeerbelasting) op straat is een reguleringsmaatregel. Of laten we betalen voor parkeren omdat we daar geld mee willen verdienen?
In de begintijd van parkeerregulering werd het selectief gebruik van parkeerplaatsen geregeld op basis van een maximale toegestane parkeertijd (denk aan de eerste losse parkeermeters). Later, mede door de komst van de parkeerautomaten, is in het algemeen de parkeerduurbeperking vervallen en vervangen door een ‘prijsprikkel’. Met als bijkomend voordeel dat met het heffen van parkeergeld gemeenten dekking hebben gevonden voor de kosten die regulering met zich meebrengt. Zoals de handhaving maar ook de kosten voor al die apparatuur op straat. Het is inmiddels voor veel gemeenten een belangrijke bron van inkomsten geworden.

Het parkeertarief vragen we in de vorm van een belasting: een verplichte betaling aan de overheid met als direct aanwijsbare tegenprestatie het ‘mogen’ parkeren. Maar wat precies de relatie is tussen dat ‘parkeerrecht’ en de hoogte van het te betalen tarief laten we over aan de perceptie van de parkeerder. Want die begrijpt toch zeker wel dat het op de ene plek onbetaald is, tegen een marginaal vergunningstarief en dat op andere plekken tarieven gelden die variëren van € 1,00 tot € 4,00 per uur?
Blijkbaar niet altijd, en daarom is het niet verwonderlijk dat de hoogte van het parkeertarief in veel raadszalen en bijeenkomsten met bewoners en winkeliers steevast aanleiding is voor hoogoplopende meningsverschillen. Kunnen we daar nu niet een keer mee stoppen? Schaf het parkeertarief domweg af!

Een parkeertarief is niet noodzakelijk
Voor het afschaffen van het parkeertarief als reguleringsmaatregel is veel te zeggen. Telkens blijkt dat de regulerende werking van een parkeertarief beperkt is. Parkeerders die een locatie bezoeken weten vaak niet hoe hoog het tarief is op de locatie waar ze parkeren, het speelt daarmee nauwelijks een rol in de afweging om wel of niet op een bepaalde plek te parkeren. Dat er betaald parkeren is, daar gaat het om, maar in het algemeen vinden we dat niet prettig.
De belangrijkste groep waarvoor een parkeertarief wel werkt zijn de werkers of langparkeerders. Maar hiervoor is een parkeerduurbeperking echter net zo effectief. Het kan toch niet zo zijn dat we gewenste doelgroepen laten betalen voor parkeren om alleen ongewenste doelgroepen te weren?

Daarnaast zien we in onze eigen Parkeerbarometer en andere bronnen een trend van dalend bezoek aan binnensteden. Vanuit de gedachte van het parkeertarief als reguleringsmaatregel zou dit betekenen dat het parkeertarief verlaagd kan worden, of zelfs afgeschaft; er is immers minder schaarste te reguleren.
Als reactie op dit dalende gebruik kiezen gemeenten er voor om de parkeeromzet op peil te houden door het parkeertarief te verhogen. Met vaak als reden omdat het parkeren anders niet langer kostendekkend is. Met de bijbehorende begrotingsproblematiek van dien.

Maar welke kosten dan precies gedekt moeten worden, blijkt niet eenduidig te zijn. Dat is afhankelijk van wat wordt toegerekend aan parkeren. De volledige aanleg van ondergrondse parkeervoorzieningen of uitsluitend de kosten voor handhaving en toezicht? Ook de aanleg en onderhoud van straatparkeerplaatsen of alleen de bebording en parkeerapparatuur? Het is zinvol om hierin bewuste keuzes te maken, maar met (effectiviteit van) reguleringsmaatregelen heeft het allemaal weinig te maken.
Het wordt tijd om afscheid te nemen van het parkeertarief. In ieder geval op de wijze waarop we het nu toepassen. Natuurlijk blijven er maatregelen nodig om oneigenlijk of onevenredig gebruik beheersbaar te houden. Het gewenste effect is te bereiken met behulp van reguleringstijden, parkeerduurbeperking en het verstrekken van parkeerrechten aan bepaalde doelgroepen. Het heffen van een parkeertarief is hiervoor niet noodzakelijk.

Van een regulerings- naar een verdelingsvraagstuk
Als we het parkeertarief los laten en niet langer doen alsof het een reguleringsmaatregel is, wordt duidelijk wat parkeren in de basis kost. Waardoor een goed en transparant fundament ontstaat voor het verdelingsvraagstuk: wie draagt de kosten van het aanleggen en beschikbaar houden van voldoende parkeergelegenheid. Doen we dat collectief, of alleen de gebruiker/parkeerder, of juist de (eigenaar van de) bestemmingsfunctie waarom we komen parkeren (de woning, de winkel, het theater etc.)?

Politiek is keuzes maken
Vele scenario’s zijn denkbaar. Zo ook de mogelijkheden om de gemaakte keuzes te effectueren. De lokale overheid is nog altijd de probleemeigenaar van dit vraagstuk. Welk scenario het beste is of het eerlijkst, zal in de politieke arena moeten worden gemaakt. Een afweging die in veel raadszalen en bijeenkomsten met bewoners en winkeliers ongetwijfeld opnieuw tot stevige discussie zal leiden. Maar wel een discussie op basis van veel meer ratio dan nu het geval is. De basis is immers een eenduidig systeem van regulering en transparantie van de daarbij behorende kosten. En we snappen allemaal dat voor die kosten een bepaalde dekking benodigd is.